De nieuwe participatieverordening 2025 van Nunspeet geeft inwoners weinig zekerheid over hun invloed. De titel van de verordening wekt de indruk dat inwoners meer invloed krijgen. Wie de tekst zorgvuldig leest, ziet echter dat de gemeente vooral vastlegt wanneer participatie niet hoeft. De gevolgen daarvan zijn concreet en raken iedereen die wil meepraten over plannen in zijn buurt of dorp.
De gemeente beslist zelf wanneer meepraten mag.
Participatie is geen recht
In de verordening staat dat elk bestuursorgaan zelf beslist of het participatie toepast. Dat betekent dat inwoners geen recht hebben om mee te praten. Participatie vindt alleen plaats als de gemeente vooraf besluit dat dit wenselijk is.
Vindt het bestuur dat er geen ruimte is voor invloed? Dan informeert de gemeente inwoners hooguit. Meedenken of meebeslissen is dan uitgesloten. Ook als een besluit grote gevolgen heeft voor de leefomgeving.
De kern is eenvoudig: meedoen mag, maar alleen als de gemeente dat toestaat.
Uitzonderingen maken participatie vrijblijvend
De verordening bevat een lange lijst uitzonderingen. De gemeente hoeft geen participatie te organiseren bij:
- de vaststelling van de begroting en financiële keuzes
- beleidswijzigingen die als ‘ondergeschikt’ worden aangemerkt
- spoedeisende besluiten
- situaties waarin de gemeente zelf andere belangen zwaarder vindt wegen
Wat onder ‘ondergeschikt’, ‘spoedeisend’ of ‘zwaarder wegende belangen’ valt, legt de verordening niet vast. Die afweging ligt volledig bij de gemeente. De consequentie is dat de gemeente juist bij grote en gevoelige besluiten participatie eenvoudig kan overslaan.
Informeren wordt participatie genoemd
In de verordening geldt ‘informeren’ als een niveau van participatie. Dat betekent dat de gemeente kan stellen dat participatie heeft plaatsgevonden. Ook als inwoners alleen zijn geïnformeerd en geen invloed hebben gehad.
Informeren is eenrichtingsverkeer: de gemeente vertelt, inwoners luisteren. Toch kan de gemeente dit formeel als participatie aanmerken. Daarmee vervaagt het verschil tussen meedoen en alleen aanhoren.
Van informatieavond naar ‘participatie’
Dat dit geen theoretisch punt is, blijkt bij Veldenbos. Daar organiseerde de gemeente een bijeenkomst voor omwonenden. De gemeente kondigde deze vooraf aan als informatieavond. Er waren vooraf geen stukken beschikbaar en het was niet duidelijk of bewoners invloed konden uitoefenen. Pas na afloop noemde de gemeente deze bijeenkomst participatiebijeenkomst, op basis van een verslag met vragen en antwoorden.
Voor inwoners voelde dit als aanwezig zijn zonder invloed. De gemeente noemde informeren achteraf participatie. Dit wordt vaak aangeduid als schijnparticipatie (aanwezig zijn zonder echte invloed).
De rol van ambtenaren en de gemeenteraad
In de toelichting bij de verordening staat dat ambtenaren adviseren of participatie wenselijk is. Formeel ligt de beslissing bij het college of bij de gemeenteraad, afhankelijk van het onderwerp. De verordening verplicht echter niet om deze ambtelijke afweging afzonderlijk en openbaar vast te leggen.
Daardoor kan in de praktijk al de ambtelijke organisatie besluiten dat participatie niet plaatsvindt. Zonder dat de gemeenteraad daar expliciet eerst naar kan kijken of over heeft gesproken. En zonder dat inwoners kunnen zien dat de gemeente deze keuze heeft gemaakt. Voor inwoners is dan niet zichtbaar wanneer en waarom de gemeente participatie beperkt.
Het uitdaagrecht: een recht dat geen recht is
Nieuw in de verordening is het uitdaagrecht. Inwoners en lokale organisaties mogen voorstellen doen om gemeentelijke taken zelf uit te voeren. Als zij denken dat het beter of goedkoper kan.
Tegelijkertijd mag het college een voorstel afwijzen als het de overname ‘om andere redenen onwenselijk’ vindt. Welke redenen dat zijn, legt de verordening niet vast. Er zijn geen vaste criteria en geen duidelijke grenzen.
De consequentie is helder: het uitdaagrecht is geen afdwingbaar recht maar een gunst. Zelfs een goed onderbouwd voorstel met draagvlak en lagere kosten kan het college afwijzen. Vooraf is niet duidelijk waarop de gemeente toetst.
Wat het uitdaagrecht had moeten zijn
Het uitdaagrecht (Right to Challenge) is geen Nunspeets idee. Het Rijk en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) hebben het de afgelopen jaren actief gestimuleerd als instrument om inwoners echte tegenmacht te geven.
Het uitgangspunt daarbij is dat inwoners zelf het initiatief nemen. En dat gemeenten vooraf duidelijke en toetsbare spelregels vastleggen. Afwijzen mag, maar alleen op heldere en uitlegbare gronden.
In de participatieverordening van Nunspeet voert de gemeente het uitdaagrecht wel in maar werkt het anders uit. Doordat het college voorstellen kan afwijzen op niet-gespecificeerde gronden, wijkt de verordening af van deze bedoeling. Wat bedoeld is als een recht voor inwoners, wordt hier een bestuurlijke gunst.
Wat betekent dit voor inwoners?
Voor inwoners betekent deze verordening dat:
- participatie niet vanzelfsprekend is
- informeren kan gelden als meedoen
- de gemeente participatie soms pas achteraf benoemt
- de gemeente initiatieven van inwoners zonder vaste criteria kan afwijzen
De verordening geeft de gemeente veel beleidsvrijheid. Inwoners krijgen daar weinig zekerheid tegenover.
De verantwoordelijkheid van de gemeenteraad
De gemeenteraad stelt deze participatieverordening vast en bepaalt daarmee de spelregels voor participatie in Nunspeet voor de komende jaren. Op 2 februari is er een beeldvormende bijeenkomst waarin inwoners kunnen inspreken en hun zienswijze kunnen geven.
Daarna bespreekt de commissie Algemeen Bestuur het voorstel en volgt besluitvorming in de gemeenteraad.
De inbreng van inwoners tijdens de beeldvormende bijeenkomst maakt deel uit van het besluitvormingsproces. Het is vervolgens aan de raad om te wegen wat zij met deze signalen doet bij de verdere behandeling in de commissie Algemeen Bestuur en bij de uiteindelijke besluitvorming.
Daarmee ligt ook bij de raad de vraag voor hoe participatie in Nunspeet in de praktijk moet functioneren: als uitleg achteraf, of als daadwerkelijke invloed zolang besluiten nog openliggen.
Democratie werkt alleen als macht zich laat uitdagen.
Deze verordening regelt vooral hoe dat niet hoeft.

https://vng.nl/sites/default/files/2023-06/aan_de_slag_met_participatie_-_handreiking_2.0.pdf
Interessant om naast de nunspeetse informatie te leggen.
De kritiek op de omgevingsdialoog van Nunspeet lijkt te vertrekken vanuit een fundamenteel misverstand over het doel en de reikwijdte van dit document. De omgevingsdialoog is geen participatieverordening in de zin van medezeggenschap of gezamenlijke besluitvorming, maar een instrument dat hoort bij particuliere ruimtelijke initiatieven, zoals het bouwen van één of meerdere woningen voor eigen rekening en risico.
Omgevingsdialoog is geen collectieve besluitvorming
Bij particuliere initiatieven ligt het initiatief, het eigendom en het risico bij de initiatiefnemer. Die positie wordt beschermd door onder meer het eigendomsrecht. Dat betekent dat omwonenden geen besluitvormende stem hebben over het al dan niet doorgaan van een plan. Dat is geen tekortkoming van het systeem, maar een bewuste en juridisch verankerde keuze in een rechtsstaat.
De omgevingsdialoog is daarom niet bedoeld om omwonenden mee te laten ontwerpen of meebeslissen, maar om:
– hen tijdig te informeren,
– inzichtelijk te maken welke ruimte er wel en niet is voor aanpassing,
– en belangen, zorgen en suggesties zorgvuldig te verzamelen en te wegen.
Dat is iets wezenlijk anders dan participatie bij publieke of maatschappelijke projecten, waarbij overheidsgeld wordt ingezet en de overheid zelf initiatiefnemer is.
Daarom is informeren is geen truc, maar een noodzakelijke eerste stap. In dit artikel wordt “informeren” neergezet als schijnparticipatie. Dat doet geen recht aan de context. Bij een particulier bouwinitiatief is informeren juist essentieel:
– om duidelijkheid te geven over wat vastligt en wat niet;
– om valse verwachtingen te voorkomen;
– en om escalatie in een later stadium te vermijden.
Dat informeren in een vroege fase expliciet wordt benoemd, is geen verarming van participatie, maar een heldere afbakening van rollen. Het document vraagt initiatiefnemers bovendien expliciet om te beschrijven waarover de omgeving kan meepraten. Dat voorkomt juist dat omwonenden denken invloed te hebben op zaken waar die er juridisch niet is.
Hiernaast klopt het dat de omgevingsdialoog geen recht geeft op invloed in de zin van afdwingbare zeggenschap. Maar dat is ook niet wat van een omgevingsdialoog bij private initiatieven verwacht mag worden. Al denkt menig omwonende hier radicaal anders over. Wat het document wél borgt, is:
– dat initiatiefnemers hun omgeving serieus in beeld brengen;
– dat reacties worden vastgelegd;
– en – bij definitieve aanvragen – dat wordt gemotiveerd wat wel en niet is overgenomen en waarom.
Dat is geen vrijblijvende exercitie, maar een vorm van zorgvuldigheid en transparantie, passend binnen de kaders van het omgevingsrecht.
In het kritische stuk wordt participatie gelijkgesteld aan “daadwerkelijke invloed zolang besluiten nog openliggen”. Die opvatting gaat voorbij aan een belangrijk onderscheid:
– participatie betekent betrokkenheid en dialoog;
– besluitvorming blijft, bij private initiatieven, bij de initiatiefnemer en het bevoegd gezag.
Het idee dat omwonenden altijd recht zouden hebben op doorslaggevende invloed, leidt tot onrealistische verwachtingen en juridisch onhoudbare claims. De omgevingsdialoog zoals Nunspeet die hanteert, voorkomt juist die verwarring door helder te zijn over rollen en verantwoordelijkheden.
Tot slot; de omgevingsdialoog regelt niet “hoe participatie niet hoeft”, maar hoe betrokkenheid wél zorgvuldig kan plaatsvinden binnen de grenzen van het eigendomsrecht en individuele initiatiefneming. Wie van dit instrument een vorm van collectieve besluitvorming maakt, legt er verwachtingen in die het niet kan en niet hoort waar te maken.
Dat is geen tekort aan democratie, maar een noodzakelijke balans tussen eigendomsrechten, rechtszekerheid en omgevingsbelangen.
Hartelijk dank voor uw uitgebreide reactie en de tijd die u heeft genomen om uw visie te delen. U licht een belangrijk instrument uit de Omgevingswet helder toe.
Toch is er sprake van een misverstand: ons artikel gaat niet over de omgevingsdialoog bij particuliere bouwinitiatieven, maar over de participatieverordening van de gemeente Nunspeet.
Dit zijn twee verschillende instrumenten.
De omgevingsdialoog waar u over schrijft, regelt het contact tussen een particuliere bouwer en omwonenden bij privé-initiatieven op eigen grond. Daar speelt het eigendomsrecht inderdaad een centrale rol en hebben omwonenden terecht geen beslissingsrecht.
De participatieverordening waar ons artikel over gaat, regelt echter hoe de gemeente inwoners betrekt bij gemeentelijke besluitvorming over publieke taken, beleid en projecten die met belastinggeld worden gerealiseerd.
Ons artikel stelt nergens dat omwonenden vetorecht zouden moeten hebben bij particuliere bouwplannen. De kritiek richt zich uitsluitend op hoe de gemeente Nunspeet zelf inwoners betrekt bij wat de gemeente besluit en uitvoert met publiek geld.
Uw punt over eigendomsrechten bij private initiatieven delen we volledig. Maar dat is een ander debat dan de vraag hoe inwoners kunnen meepraten over gemeentelijke besluitvorming.
Graag blijven we in gesprek over beide thema’s!
De redactie